Het verhaal van Gael: Effenaine

Uit Bor Kolloran Wiki NL
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Ga naar Het verhaal van Gael: Bibliotheek / Ga naar Verhalen / English


Gehurkt tuurde Bovos de duisternis in. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en focuste op zijn gehoor, maar het enige wat hij opmerkte was de geur van de natte bosgrond. De bomen om hem heen waren enkel donkere schimmen.

‘Ik zie geen reet’, zei Bomild terwijl ze naast hem hurkte. Bovos reageerde niet, maar Bomild ging door:
‘Die hrini is ook een mooie. Wij mee op jacht, rent ze alleen het bos in. Ik zeg het je. Wij hadden paarden mee moeten nemen. Ik jaag het liefst op gehoornden te paard.’

Bovos zuchtte en zei:

‘Misschien heeft de hrini ons achtergelaten omdat we teveel lawaai maken.’
‘Ze wil gewoon alleen jagen’, zei Bomild. Ze stond weer op en tikte Bovos tegen zijn schouder aan.
‘Maar even serieus, als wij paarden mee hadden hadden we het ongedierte zo gevonden. Ze zijn misschien snel, maar niet sneller als een paard. Kun je ze mooi zo in hun rug schieten.’

Ze gebaarde met haar boog alsof ze aan het schieten is. Bovos pakte het handvat van zijn moker vast en stond ook op. Hoewel zijn knie een knakkend geluid maakte, verried het gemak waarmee hij de veel te zware hamer optilde dat hij meer dan menselijk was.

‘Ik weet niet waar ze naartoe is. Ik denk dat we het beste hier kunnen blijven.’ Zei Bovos en voegde daar aan toe:
‘Om terug te gaan is ook zo wat.’

Ze stonden een tijdje in stilte om zich heen te kijken. Toen klonk er geritsel in de verte. Bovos hield zijn hamer in gereedheid en Bomild stond klaar om een pijl af te vuren.

‘Ren weg!’ klonk een bekende stem uit de richting van het geritsel. De twee koppen grotere hrini kwam uit het donker aan rennen.
‘REN!’, riep ze nogmaals.

Bovos en Bomild zette het op een lopen. Al snel werden ze ingehaald door de hrini. Haar lange met vacht bedekte benen bewogen zich snel. Ze pakte moeiteloos een kleine voorsprong op twee, tot Bovos zijn frustratie. Hij was niet snel jaloers op de hrini, maar ze waren razendsnel als het moet. Achter hen veranderde het geritsel in gestommel.

‘Wat is het?!’, riep Bomild.
‘Groot!!’, riep de hrini over haar schouder.

Gehoornden zijn niet groot dacht Bovos en keek achter zich. Bomild had moeite de twee begaafden bij te houden. Het gestommel werd luider.

‘Kom op!’ Riep Bovos naar Bomild, de paniek zichtbaar op haar gezicht.

Er klonk er gegrom en gehijg toen het monster dichter bij kwam. Bomild rukte zich los, pakte haar boog met twee handen vast en spande deze aan. Er ontstond er een fel licht tussen haar handen. Ze draaide plots om en liet de pees los. De lichtpijl schoot vooruit. Bomen lichtte één voor één op. Voor een seconde was het monster te zien. Op handen en voeten rende het met een huid als gemaakt van kool, zwart en hoekig. Zijn korte nek eindigde in een beestachtig hoofd met hoorns en scherpe tanden. De pijl suisde het monster voorbij waardoor het weer in duisternis gehuld werd. Enkel zijn silhouet was te zien als de pijl bomen achter hem oplicht. Er klonk een geïrriteerde grom over het luider wordende gestamp. Bomild zakte met een knie in de bosgrond en vuurde een tweede pijl af. De lichtpijl vloog recht op de silhouet af. Een luide klap galmde door het bos terwijl de lichtpijl een vonkenregen veroorzaakte toen het door het monster heen sloeg. Het monster slaakte een vreselijke schreeuw en rende direct weg van hen. Bomild stond langzaam op. Haar gezicht was lijkbleek. Bovos zag dit niet, maar voor de hrini was het duidelijk zichtbaar. Met harige handen pakte ze het gezicht van Bomild vast. De grote gele ogen van de hrini keken haar doordringend aan.

‘Gaat het?’, vroeg ze.
‘I-ik dacht dat het dood zou neervallen’, zei Bomild
‘Kom’, zei Bovos terwijl hij Bomild bij arm pakt, ‘Het gevaar is nog niet geweken’.

Hij trok haar mee en zette het op een lopen. Samen rende het drietal verder.

---

De Hrini boog diep om door de opening van de tent te kunnen. Bovos kwam maar tot onder haar schouderbladen. Toch schatte hij in dat ze veel minder woog. Ze was gebouwd voor de jacht: smalle schouders met lange armen en benen. Haar atletische maar fijne bouw gaf de hrini iets aantrekkelijks, maar haar vacht en grote oren en ogen ook iets weerzinwekkends. Bovos had het idee dat ze dit zelf ook vonden aangezien er altijd een triestheid in de ogen van de hrini te zien is. Hij, Bomild en de hrini stapte de grote rode tent binnen. In het midden van de ruimte stond een grote tafel waar een kaart op lag. Om de kaart stonden hun leider Miranda, een oudere vrouw met lang grijs krullend haar, de krijger Maccadam en Garu, een oude man met warrig haar waarvan zijn gezicht beschilderd is met blauwe en groene lijnen. Miranda merkte het drietal op:

‘Lai! Bedankt dat je mijn vrienden heelhuids hebt terug gebracht’, zei Miranda tegen de hrini
‘Geen dank’, zei Lai, ‘Als u het goed vind keer ik terug naar mijn familie.’

‘Uiteraard! We zijn jou en je familie ontzettend dankbaar’, zei Miranda. Lai maakte een kleine buiging en verliet de tent weer. Met serieuze toon richtte ze zich nu Bovos en Bomild:

‘En? Hebben jullie de gehoornde gevonden?’
‘Helaas niet’, antwoordde Bovos verslagen.
‘Barst’, zei ze terwijl ze Bovos naar Bomild bestudeerde, ‘En wat is er nog meer gebeurd?’
‘We zagen een kind van de rode god’, antwoordde Bovos.
‘Weet je het zeker?’, vroeg Maccadam streng. Maccadam was ook een kind van de rode god, al beheerste hij zichzelf om niet meer giften, of vervloekingen, van de rode god te ontvangen.
‘Ja een van je gekke broertjes, huid als kool, kwaad, schreeuwen enzo’, antwoorden Bomild koeltjes.
‘Zeg me alsjeblieft dat je hem met rust gelaten hebt?’, vroeg hij.
‘Ik schoot er dwars door heen maar hij liep gewoon door!’, zei Bomild terwijl ze deed alsof ze een pijl af schoot. Maccadam zijn ogen sperde wijd open.
‘Idioot!’, riep hij.
‘Waar ben je bang voor? Maken we je gekke broertjes boos?’
‘Hem bevechten kan de aandacht van anderen trekken’, sneerde hij.

Miranda maakte een sussend gebaar.

‘Dat je vind wat verstopt was wil niet zeggen dat het gevonden wilde worden’, zei de oude Garu.

Hoewel dit bij enkelen voor een frons zorgde bleef het stil. Miranda zuchtte eens.

‘Maar zover west al. Dat veel sneller al verwacht’, zei ze.
‘Ze wordt zwak als de kinderen van vernieling al zo dichtbij te vinden zijn’, zei Garu.
‘Dan moeten we snel gaan handelen’, zei Miranda terwijl ze zich over een kaart boog.
‘Kunnen we niet gewoon alle vluchtelingen in een keer het baken in laten vluchten?‘, zei Bovos.
‘Ik geef ze een week voordat ze allemaal door de bakenridders zijn opgepakt. Dat is geen optie. Zei Miranda. ‘We houden deze positie aan, aan de rand van het baken. Dan kunnen we nog zo veel mogelijk mensen opvangen. Mocht het baken vallen dan begeleiden we ze door de poorten Grosseron in’, zei Miranda en wende zich tot Garu, ‘We moeten met haar in contact te komen als we tijd willen rekken. Misschien moeten jullie toch al opzoek gaan.’

Garu wreef wat over zijn kin en zei:

‘Dan vertrekken we morgen ’, zei Garu
‘Oké goed’, zei Miranda en ze boog zich over de kaart van Grosseron, ‘ik hoop maar dat we niet te laat zijn’.

---

Zo hard kon Maarten drie dagen geleden niet rennen. Maar zijn benen waren veranderd. Ze waren breder en zijn spieren waren hard. Zijn schouders en nek waren zo breed als die van een worstelaar. Maar vooral zijn hoofdwas veranderd: Hij kon beter ruiken en zien. Zijn kaak was dikker en zo sterk dat hij door botten kon bijten. Boven op zijn hoofd voelde hij twee harde punten onder zijn huid groeien. Hij wist heel goed wat er aan de hand was. Hij veranderde in een gehoornde.

Vroeger werkte hij als veedrijver voor een respectabele familie. Hij had zelfs het oog van de keukenhulp weten te vangen. Maar drie dagen geleden had hij nachtmerries van hoe hij haar in haar nek beet in een moment van barbaars geweld. Hij schrok wakker met een honger naar vlees. Hij beeldde zich in hoe hij naar de keuken zou gaan om daar vlees uit de kast te trekken, maar hij kwam steeds niet verder als de kamer tegenover hem, waar landarbeider en zijn vrouw sliepen. Hoe harder hij zijn best deed om zich op de keuken te focussen, hoe meer zichzelf over het slapende stel zag buigen. Tijdens een kort moment van helderheid dacht hij aan gegil, kaarsen in de nacht, toortsen en hooivorken. Met een ruk deed hij het raam open, sprong naar buiten en rende in zijn pyjama de nacht in.

Zijn lijf vroeg om meer en meer eten. Hij had een haas weten te vangen en wat vlees van een geiten karkas kunnen trekken. Langzaam maar zeker werd hij gek van de honger. In zijn gedachten dreef hij weer af naar de hals van de keukenhulp en hoe het zou voelen om daar zijn tanden in te zetten. Plots stonden er twee andere gehoornden voor hem. Gespierd, bleek en naakt. Ze hadden een hert meegenomen en het voor zijn voeten weg gelegd. Onder toeziend oog van de twee scheurde maarten stukken vlees van het dier en at het gulzig op. Ze hadden gefocust naar hem gekeken, observerend. Als een wild dier, klaar om ieder moment in actie te schieten. Nadat maarten al een tijd aan het eten was trokken ze een been van het hert, braken het in tweeën en aten zelf ook wat. Nadat maarten geen hap meer op leken de twee te willen vertrekken. Ze waren zonde het bloed van hun kin te vegen opgestaan en keken hem weer streng aan. Hij was ze gevolgd. Ze reisde een dag en een nacht. Overdag zo veel mogelijk in bossen, maar ‘snachts rende ze over akkers aan de randen van dorpen. Maarten had zelfs het idee dat ze gezien waren, maar dat interesseerde hem niet meer.

Ze arriveerde diep in een bos. Daar te midden van tientallen andere gehoornden, zowel mannen als vrouwen, ontmoette hij de leiders van de familie. Een paar, Vinna en Markus, vrouw en man, waarvan de grootsheid van hun giften hun vele levensjaren verried. Ze waren bijna twee keer zo lang als de rest van de roedel. Markus had hoorns en een nek als een stier en zijn ogen hielen een blik vol wilde agressie. Vinna had lange kromme hoorns die reikte tot op haar rug. Hij was zowel geschokt door haar naakte schoonheid, als doodsbang voor de dreiging van de bloeddorstige roedel om haar heen. Ze liep naar Maarten toe en hurkte voor hem. Zij sprak met een stem die zowel krachtig als verleidelijk klonk.

‘Jij zult eerst wat voor ons moeten doen’.

---

Maarten stopte plots op de afgesproken plek. Hij hoorde zijn achtervolger al een tijdje niet meer. Zijn Pyjama was gescheurd maar hij voelde zich nog niet comfortabel genoeg om deze uit te doen. Hij wist nog wel wie hij was, maar langzaam begon hij details van zijn vorige leven te vergeten. Wild keek Maarten om zich heen. De lucht was veranderd. De natte boslucht had rook iets wat leek op vuur. Hoewel zijn ogen beter waren beter geworden om in de nacht te kunnen zien kon hij geen lichtpuntje ontdekken. Staal, bedacht hij zich, wat hij rook was de lucht van een smidse als er vonken rond spatte. Maar alles om hem heen was zo donker. Bladeren waren grijs, bomen waren donkerder grijs stenen waren zo zwart als... kool. Uit het niks sprong er wat leek op een steen op hem af. Voordat hij het kon ontwijken sloeg het monster met twee gebalde vuisten op Maarten en verpulverde zijn heupen. Met wat klonk als zowel een mens als een wild beest schreeuwde Maarten het uit. Maar het monster sloeg opnieuw en opnieuw tot er geen geluid meer uit Maarten kwam. Het monster gromde laag terwijl het zich naast de resten van maarten op de grond laat zakken. Een kleine rookpluim kwam uit het gat midden door het lichaam van het beest.

Maar toen kwamen er tientallen gehoornden op het beest afgestormd. Ze besprongen het en grepen hem bij zijn armen. Met een donderend luide brul probeerde hij zijn aanvallers te intimideren en zichzelf in een razernij op te zwepen. Dit werkte en hij schudde er een paar van zich af. Met zijn klauwen graaide hij om zich heen. Hoewel de gehoornden razendsnel om hem heen sprongen kreeg hij er enkele te pakken, die hij direct fijn kneep. Toch kregen ze een voor een zijn armen te pakken en werkte hem naar de grond. Vinna en Markus kwamen aan rennen gevolgd door een rustig lopende vrouw in een bloedrood gewaard. Een dozijn gehoornden zaten op het rug van monster en probeerde zijn hoofd omlaag te houden. Het beest schudde zijn nek hevig waardoor de gehoornden in het rond vlogen. Wederom brulde het monster luid en probeerde het overeind te krabbelen. Een gehoornde had niet op tijd weg kunnen springen en zijn been brak onder de kauw van het beest.

´Markus doe iets!´ snauwde Vinna. Er klonk paniek in haar stem. Markus stormde naar het beest en met agressief geweld greep hij het hoofd van het beest en sloeg deze de grond in. Vinna richtte zich op de vrouw in het rode gewaad.
‘Waar wacht je op?!’, Zei Vinna tegen de veel kleinere vrouw.
‘Het ziet er niet uit alsof hij dood gaat, is het wel?’ zei de vrouw kalm. Vinna ontblote haar tanden.
‘Dood het!’, schreeuwde ze.

Markus greep het monster om zijn nek. De scherpe hoeken in de huid van het monster sneden in zijn vlees. Met al zijn kracht trok hij aan nek van het monster. Onder luid kraken van de harde lijf draaide het hoofd van het monster steeds verder. Het monster slaakte een kwade, maar pijnlijke kreet. De rotsachtige huid van het monster begon te roken. De diepste scheuren van zijn huid lichte op als gloeiende kool.

‘Bijna’, zei de vrouw in rood.

Vlammen ontstonden in de ogen en de mond van het monster. Het brandde Markus maar die werd enkel agressiever en zette nog meer kracht. De gehoornden sprongen van het monster. Zijn lichaam leek op te branden en de vlammen klommen tussen de bomen omhoog alsof ze opgezogen leken te worden. Toen stapte de vrouw in rood naar voren. Met haar hand gebaarde ze de vlammen naar een rood kristal. Hoewel het lichaam van het beest het portaal ingezogen werden, verdwenen de vlammen in het kristal. Toen er niets meer over was van het monster verdween het portaal, en was het weer stil in het bos. De vloer ligt bezaaid met een dozijn bleke lichamen. Vinna hurkt bij de gestorven gehoornden.

‘Tevreden!?’, snauwde Vinna naar de vrouw in het rood. De vrouw keek geboeid naar het rode kristal waar het vuur in door raasde.
‘O dat ben ik zeker. Het ging beter als verwacht zelfs’, zei ze.

Vinna stond op en streelde Markus over zijn gezicht. Hij kalmeerde, al bleven zijn ogen nog vol agressie.

‘Wat gebeurd er nu?’, vroeg Vinna zonder haar ogen van haar partner af te halen.
‘Jullie deel van de overeenkomt is voldaan. Ik leid jullie naar het westen als het baken valt’, ze de vrouw in het rood.

Markus slaakte een luide overwinningsbrull en werd vergezeld door de andere gehoornden die daar nog kracht voor hadden.

---

In een orkaan van roest, vonken en rode bliksemschichten tolt een verkoold lichaam. Niet meer een monster, maar een man. Schreeuwende gezichten verschijnen en verdwijnen. Een metalen klauw gaat langs een gat in een borst. Raidenok. Zowel monster als man vecht met wapen, klauw en tand. Vlammen in plaats van ogen. Schreeuwende gezichten in een orkaan van roest.

Macadam schrok wakker en kwam haastig overeind. Zweet droop van zijn gezicht.

‘Gaat het’, vroeg Bovos van de andere kant van de tent.
‘Iets heeft ze opgewonden daarboven’, Zei Maccadam en Bovos draaide zich weer. Maccadam kruiste zijn benen en ademde diep in een poging de maalstroom buiten te sluiten.



Geschreven in 2022


Ga naar Het verhaal van Gael: Bibliotheek / Ga naar Verhalen / English